Vakdidactisch meester

Effectief Engels uitspraakonderwijs: handboek en resultaten

Uit een onderzoek wat ik in 2010 afnam in het kader van ICLON Leiden(verder uitgewerkt in Van Hattum & Rupp, 2014), bleek dat zowel op middelbare scholen als op lerarenopleidingen uitspraak vaak nog geen standaard onderdeel is van het curriculum; dat terwijl Engels, behalve een kernvak in de bovenbouw, sinds 2014 ook een kernvak in de onderbouw van het voortgezet onderwijs is. Via Dudoc-Alfa heb ik de kans gekregen om onder begeleiding van prof. dr. Mike Hannay and dr. Laura Rupp te onderzoeken of het mogelijk is een effectieve onderwijsdidactiek voor uitspraakonderwijs in de onderbouw van het voortgezet onderwijs te ontwerpen.

In het kader van het actieplan heeft de Stichting Leerplan Ontwikkeling (2012) opdracht gekregen om tussendoelen voor kernvakken te ontwikkelen. Voor Engels zijn er concept-tussendoelen opgesteld voor vijf vaardigheden: Luisteren, Lezen, Gesprekken voeren, Spreken en Schrijven. Deze tussendoelen zijn geformuleerd als can-do statements. Voor uitspraak wordt gesteld dat deze ‘duidelijk verstaanbaar [is]’ (voor vwo ERK B2) ‘zelfs met een accent en met af en toe een verkeerd uitgesproken woord’, (en voor havo ERK B1) ‘ondanks een hoorbaar accent [waarbij] [l]uisteraars af en toe om herhaling moeten vragen omdat de uitspraak van een aantal woorden het begrip in de weg staat’. In de concept tussendoelen wordt een adequate uitspraak dus als van belang geoormerkt.

Behalve dat de tussendoelen om aandacht voor uitspraak vragen, heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat een voor spreker en verstaander begrijpbare  uitspraak essentieel is voor succesvolle communicatie in het Engels. Iemand met een goede grammatica maar zwakke uitspraak is veel slechter te begrijpen dan omgekeerd (Jenkins, 2000). Er zijn diverse voorbeelden hoe een verkeerde uitspraak heeft geleid tot economisch nadeel  en internationale aanvaringen (Rupp, 2013) . Sprekers met een buitenlands accent worden tevens als minder betrouwbaar en professioneel beoordeeld (Van den Doel, 2006).

Desondanks wordt er in het voortgezet onderwijs nauwelijks aandacht aan Engelse uitspraak besteed. Hier zijn verschillende redenen voor aangegeven: het centraal eindexamen toetst alleen leesvaardigheid (Van Hattum & Rupp, 2014), er is volgens de docenten geen bruikbaar lesmateriaal voor lange-termijn instructie verwerkt in leergangen(Krooshof & Andringa, 2011), en docenten hebben onvoldoende zelfvertrouwen wat betreft hun eigen uitspraak (Fraser, 2011). De centrale onderzoeksvraag van mijn project is daarom:

War zijn de karakteristieken van effectief uitspraakonderwijs voor leerlingen en docenten in het voortgezet onderwijs?

Het project onderzoekt de effectiviteit van een innovatieve vorm van uitspraakonderwijs die enerzijds rekening houdt met de huidige functies van de Engelse taal en de gepercipieerde behoeftes van de gebruikers en docenten van het Engels, en anderzijds uitspraakonderwijs goed verankert in het taalvaardigheidsonderwijs. De effectiviteit van de nieuwe vorm van uitspraakonderwijs wordt overeenkomstig getoetst in twee deelstudies, waarvan de eerste hier besproken wordt.

Studie: methode en proces

Beide deelstudies worden aan het Scala College in Alphen aan de Rijn uitgevoerd.  Het Scala College is een middelbare school met alle onderwijsniveaus, waarbij VMBO-T, HAVO en VWO ook een tweetalige optie hebben. Met het oog op de tussendoelen zal het onderzoek in de onderbouw plaatsvinden. De focus ligt op de reguliere VMBO-T, HAVO en VWO-klassen.

De eerste studie heeft betrekking op de inhoud van het uitspraakonderwijs. Factoren die al geïdentificeerd zijn als relevant voor de verwerving van het klanksysteem van een tweede taal zijn onder meer ‘gemarkeerdheid’, ‘frequentie’, ‘vergelijkbaarheid’ en ‘fonetische saillantie’. Dit project onderzoekt een andere mogelijke factor: subjectieve saillantie (Auer et al. 1998). Het gaat hierbij om klanken die L2-leerders zelf als saillant percipiëren. De verschillende factoren voorspellen een verschillende volgorde in de verwerving van aspecten van de Engelse uitspraak. Om de waarde van ‘subjectieve salliantie’ te toetsen worden van klassen experimentele groepen gevormd. Zij krijgen aspecten van de uitspraak van het Engels in verschillende volgorde aangeboden.

Om de inhoud van het onderwijs te bepalen is het afgelopen jaar een context- en probleemanalyse uitgevoerd middels vragenlijsten en interviews met docenten Engels en leerlingen van het Scala College. Er is een sociolinguïstisch profiel opgesteld van zowel de docent als de leerling, in de lijn van Erling (2004) die eenzelfde soort onderzoek naar studenten aan die Freie Universität Berlin verrichtte. Maar voor het eerst is dat niet alleen om te meten wat de taalkundige achtergronden zijn van de klassikaal betrokkenen in het middelbaar onderwijs, maar ook om aan de hand van de profilering te kijken naar de benodigde onderwijsdidactiek en -inhoud. Op basis van het ontstane sociolinguïstische profiel is een handboek uitspraakonderwijs ontworpen dat aansluit en inspeelt op de tegenwoordige ‘lingua franca’ functie van het Engels en de behoeften en attitudes van huidige generaties taalgebruikers (Edwards, 2014). Hierbij wordt samengewerkt met uitspraakdeskundigen aan de VU; de deelnemende schooldocenten krijgen een training over uitspraakonderwijs en ontwikkelen samen met de onderzoekers leeractiviteiten op basis van beproefd materiaal, zoals o.a. Rupp (2013), Walker (2010) en Celce-Murcia e.a. (2006).

Het sociolinguïstisch profiel

Het sociolinguïstisch profiel van de docenten laat een interessante dichotomie zien. Alle betrokken docenten gebruiken het Brits Engels als standaard voor zichzelf, zoals dit ook de variant is die het meest voorkomt in het Engels onderwijs in Nederland. Maar wat zij voor hun leerlingen als meest nuttig en bruikbaar zien, is een algemener Engels, dat niet te duiden is als specifiek gebonden aan een cultuur. Aangezien de docenten gebruik maken van een leergang in de onderbouw met Received Pronunciation als standaard, blijft deze lingua franca-functie van het Engels ongebruikt in de klas. In interviews na de profilering laten de docenten ook duidelijk merken dat voor hen het primaire doel is een leerling af te leveren die een ‘verstaanbaar, breed inzetbaar Engels’ spreekt, geenszins is voor hun het doel native-like sprekers op te leiden.

De  leerlingen uit de sample groep geven hetzelfde aan, met name HAVO-leerlingen willen het liefst een ‘verstaanbaar Engels spreken’, welke soort het is maakt niet uit. Enkele redenen die ze daarvoor geven zijn dat ‘ we toch in Nederland blijven’, ‘je moet niet klinken als iemand die je niet bent’ en ‘dat Engels wat we leren is moeilijk, en als ik in het buitenland ben verstaan ze me toch wel’. VWO-leerlingen hebben wel meer een voorkeur voor Brits Engels, maar slechts omdat ze het een ‘mooie taal’ vinden, ‘het klinkt zo leuk’. Als er wordt gevraagd of dat het ook het meest nuttig is om Brits Engels te leren zijn de leerlingen veel minder overtuigd, en hebben ook zij meer de voorkeur voor een algemener Engels.

Relevantie

Dit is de eerste studie die sociolinguïstisch profileren gebruikt voor curriculum-ontwikkeling m.b.t. uitspraakonderwijs op een middelbare school. Dit instructiemodel is in schooljaar 2015/2016 gebruikt en aangepast waar nodig, in het kader van Educational Design Research. De daaruit voortkomende versie wordt nu toegepast in 2016/2017, gedurende dat schooljaar worden ook de eerste resultaten qua veranderingen in uitspraak en taaleigenaarschap verwacht. Aan de hand van die resultaten zal een definitieve versie worden geproduceerd die in 2017/2018 als standaard gebruikt zal worden op het Scala College.

 

Chapter 3 Handbook2016

Literatuurreferenties

Auer, P., Barden, B. & Grosskopf, B. (1998). Subjective and objective parameters determining ‘salience’ in long-term dialect accommodation. Journal of Sociolinguistics 2: 163-187.

Celce-Murcia, M., Brinton, B. & Goodwin, J.(1996). Teaching Pronunciation: A Reference for Teachers of English. Cambridge: Cambridge University Press.

 

Edwards, A. (2014). English in the Netherlands; Functions, forms and attitudes. PhD -dissertation, University of Cambridge.

 

Erling, E. (2004). Globalization, English and the German University classroom:A sociolinguistic profile of students of English at the Freie Universität Berlin. Ph.D. dissertation, University of Edinburgh.

 

Fraser, H. (2011). Teaching Pronunciation: A Handbook for Teachers. Sydney: Department of Education and Training, TAFE, NSW.

 

Jenkins, J. (2000). The Phonology of English as an International Language. Oxford: Oxford University Press.

 

Krooshof, K. & Andringa, H. (2011). Ai ken spiek Inglisj.  Praktijkgericht onderzoek COL-UU, o.b.v. Rick de Graaf, Universiteit Utrecht. http://igitur-archive.library.uu.nl/student-theses/2011-0829-200739/PGO%20Kim%20en%20Hanneke.pdf. <Geraadpleegd op 28 februari 2014>.

Rupp, L. (2013). Uitspraakgids Engels voor Professionals. Amsterdam: VU Uitgeverij.

 

Stichting Leerplanontwikkeling. (2012). Concept Tussendoelen Engels havo-vwo. http://www.slo.nl/downloads/documenten/tussendoelen-engels-havo-vwo-onderbouw-vo.pdf. <Geraadpleegd op 21 februari 2014>.

 

Van den Doel, W.Z. (2006). An Evaluation of Native-Speaker Judgements of Foreign-Accented English. Utrecht: LOT.

 

Van Hattum, J. & Rupp, L. (2014). English: Taught or Caught? In R. van den Doel & L. Rupp (eds.) Pronunciation Matters; Accents of English in the Netherlands and Elsewhere. Amsterdam: VU Press.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *